Narratieve therapie

Mijn eerste kennismaking met de narratieve therapie was tijdens een les Systeemtherapie aan de universiteit. Dit was het stokpaardje van onze docenten en deze stroming sprak ook mij meteen heel erg aan. Toen ik net mijn eigen praktijk opstartte, schafte ik het boek ‘Narratieve therapie in de praktijk’ van Michael White – de vader van de narratieve therapie – aan. En ook tijdens het lezen van dit boek merkte ik dat deze stroming me echt lag. Maar op de ene of andere manier paste ik deze vorm van therapie eigenlijk niet echt bewust toe in mijn werk.

Een klein jaar geleden ontdekte ik de blog van Johan Van de Putte: www.helpendegesprekken.com. Johan is een therapeut uit het Gentse die interessante artikels schrijft, vooral geïnspireerd door de narratieve therapie. En zo ontdekte ik dat hij ook workshops rond narratieve therapie geeft. Ik schreef me in voor een tweedaagse opleiding en vorige maand was het eindelijk zo ver. Het was een boeiende tweedaagse waarin mijn kennis over de narratieve therapie nog verbreed en verrijkt werd, en mijn interesse nog meer werd aangewakkerd. In dit artikel vertel ik jullie wat meer over de narratieve therapie, gebaseerd op de tweedaagse opleiding die ik volgde.

Basisvisie

Johan begon de workshop met het uitleggen van de achterliggende basisvisie van narratieve therapie, wat een fijne opfrissing was voor mij. De narratieve benadering gaat er van uit dat mensen verhalen vormen over zichzelf en anderen. Verhalen over het leven. Verschillende ervaringen die we in de loop van de tijd opdoen, worden volgens een bepaald thema aan elkaar gelinkt en vormen een verhaal. Zo geven wij betekenis aan gebeurtenissen.

Wanneer je veel ervaringen opdoet die binnen één bepaald thema of verhaal passen, dan wordt dat verhaal dominant (bv. ‘ik ben depressief’). Maar het is een beetje een vicieuze cirkel, want dominante verhalen gaan onze waarneming beïnvloeden, waardoor we vooral dingen opmerken die binnen dat verhaal passen (bv.: ‘ik vandaag weer amper mijn bed uit geraakt’). Dingen die niet binnen dat dominante verhaal passen merk je niet zo op en geef je weinig of geen betekenis (bv. dat je je toch even goed voelde toen je je beste vriendin aan de telefoon had). Onze waarneming wordt dus een beetje vertekend door onze dominante verhalen.

Bovendien ga je op basis van je dominante verhalen voorspellingen maken voor de toekomst (bv. ‘ik zal morgen ook wel weer mijn bed niet uit geraken’) en je dingen verbeelden over het verleden (bv. ‘ik zal als kind ook wel al niet vrolijk geweest zijn’). Ook zetten dominante verhalen aan tot handelen (bv. je gaat niet mee naar dat feestje omdat je er van uit gaat dat je je toch niet goed zal voelen). Verder heeft een dominant verhaal invloed op je verbeeldings- of voorstellingsvermogen (bv. je kan je nu moeilijk voorstellen dat je plezier zou kunnen beleven op dat feestje, maar wel dat je je slecht zal voelen). Ten slotte gaan mensen op basis van hun dominante verhaal conclusies trekken over hun eigen identiteit (bv. ‘ik ben niets waard want ik lig toch alleen maar de hele dag in bed’).

Doordat je steeds meer dingen opmerkt die binnen het dominante verhaal passen en steeds minder dingen die er niet binnen passen, zal de geloofwaardigheid van je dominante verhaal ook steeds groter worden, zowel voor jezelf als voor anderen (‘zie je wel dat ik niets waard ben, ik ben weer niet uit mijn bed geraakt’). Wanneer je verhalen deelt met anderen, worden deze ook steeds levendiger. Andere verhalen worden dan ondergeschikt en misschien wel verdrukt.

De taak van de therapeut

Cliënten komen meestal bij een therapeut terecht met dominante ‘probleemverhalen’. Dan is het de taak van de therapeut om via bepaalde gesprekstechnieken op zoek te gaan naar positieve elementen (Johan noemt dit ‘sprankels’) in het verhaal. Op die manier komen de onderdrukte verhalen wat meer naar boven en komen we tot rijkere verhalen die meer genuanceerd zijn, met positieve en negatieve aspecten. Een narratieve therapeut moet dus heel opmerkzaam zijn voor ervaringen die niet passen binnen het dominante verhaal. Als je geluk hebt komen deze soms vanzelf naar boven in het verhaal van de cliënt, maar therapeuten kunnen ook actief vragen stellen over ervaringen waar nog geen betekenis aan gegeven is omdat ze niet in het dominante verhaal passen (zie verder: gesprekstechnieken).

De niet-probleem-ervaringen zijn dus een belangrijk focus in het gesprek, zonder daarmee voorbij te gaan aan de problemen. Het is belangrijk om mensen erkenning te geven voor hun problemen en voor hoe moeilijk of zwaar het kan zijn, maar daarnaast is ook nog een andere verhaallijn die het verhaal rijker en minder probleemgesatureerd maakt. Je gaat mensen helpen om verhalen te creëren die hen positief beïnvloeden, waar ze zich goed bij voelen. Verder gaan we mensen helpen om de pijnlijke en moeilijke aspecten van hun leven in verhaal te brengen zonder dat hun identiteit er negatief door gedefinieerd wordt en zonder dat dit verhaal dominant wordt. We gaan bijdragen tot het ontwikkelen van verhalen die mensen aanmoedigen om bepaalde stappen te zetten en initiatieven te nemen.

De houding van de therapeut

Als narratieve therapeut neem je een nieuwsgierige houding aan en stel je vragen vanuit oprechte interesse of nieuwsgierigheid. Je mag er niet van uit gaan dat iets vanzelfsprekend is. Je mag ook geen delen van het verhaal invullen volgens jouw eigen idee. Als iemand bijvoorbeeld zegt: ‘mijn kinderen zijn belangrijk voor mij’, ga er dan niet van uit dat dat vanzelfsprekend is, of geef geen eigen invulling van waarom dat zo zou zijn, maar vraag de cliënt zelf waarom dat zo is. Zo nodig je de persoon uit hier verder betekenis aan te geven en komen weer nieuwe sprankels en waarden naar boven.

Blijven doorvragen is dus de boodschap. Je mag mensen trouwens ook gerust onderbreken met een bepaalde vraag, want dan zorg je ervoor dat ze iets nieuws of anders gaan vertellen, waardoor het verhaal weer rijker wordt. En houd in je achterhoofd dat het niet de bedoeling is om iets op te lossen, wel om mensen op verhaal te brengen. Het is ook niet de bedoeling om een negatief verhaal te veranderen in een positief verhaal. We willen vooral bereiken dat er meerdere, rijke verhalen naast elkaar ontstaan in plaats van één dominant probleemverhaal.

Gesprekstechnieken

Een eerste manier om verhalen te helpen verrijken is vragen naar uitzonderingen op het probleemverhaal, naar initiatieven die mensen genomen hebben ondanks hun probleem. Je kan dan bijvoorbeeld vragen: ‘Is er de laatste weken een moment geweest waarop de depressiviteit minder speelde, al was het maar heel even?’.

Het is belangrijk om de mensen altijd te vragen om die initiatieven of ‘betere momenten’ te concretiseren: ‘Wat was er toen juist gebeurd?’, ‘Wanneer was dat juist?’, ‘Wat ging daaraan vooraf?’, ‘Wie was daar nog bij?’, ‘Wat heb je toen gedaan?’,… Op die manier gaan mensen die herinnering weer oproepen uit hun geheugen, waardoor deze niet-dominante verhaallijn weer wat meer op de voorgrond komt. Het is ook altijd goed om naar nog andere voorbeelden te vragen om dit te verbreden en meer bodem te geven.

Dan kan je hierop doorvragen naar de effecten van dat initiatief of ‘betere moment’: ‘Hoe was dat voor jou, toen de depressie even minder was?’, ‘Wat doet dat met jou?’, ‘Welk effect had dat op jou?’. Je kan dan ook doorvragen naar een evaluatie van die effecten: ‘Wat vind je daar van?’. Wanneer mensen iets evalueren is dit meestal gebaseerd op wat belangrijk is voor hen. Daar kan je ook naar vragen: ‘Zegt dat iets over wat belangrijk is voor jou?’, ‘Waarom is dat belangrijk voor jou?’, ‘Welke waarde zit daar achter?’.

Je kan ook vragen naar vaardigheden en kennis die de persoon beschikt: ‘Om dat te kunnen doen, wat moet je daarvoor kunnen volgens jou? Is dat iets wat jij goed kan?’, ‘Wat zegt dat over jouw vaardigheden?’, ‘Komt dat ook op andere vlakken van pas, die kennis/vaardigheid?’. Door deze vragen te stellen maak je mensen bewust van de vaardigheden die ze hebben maar die voor hen vanzelfsprekend zijn. Op die manier draag je bij tot het creëren van een rijkere identiteit.

Het is ook altijd goed om te vragen naar het perspectief van waarderende anderen: ‘Wat vindt … daarvan, dat jij dat toen gedaan hebt?’, of ‘Wie waardeert dat, dat jij dat doet?’, en ‘Wat waardeert die persoon daar juist aan? Wat denk je?’. Op die manier maak je een steunend netwerk wakker.

Verder kan je ook vragen naar toekomstmogelijkheden die de persoon ziet op basis van dat ene initiatief of betere moment. Dit doe je best pas meer naar het einde toe, als het verhaal rond dat goede moment al wat rijker geworden is. Dan is de kans groter dat mensen mogelijkheden voor de toekomst kunnen zien die hieraan gelinkt zijn. Bijvoorbeeld: ‘Heb je ideeën over wat je daar in de toekomst nog mee zou willen of kunnen doen? Is dit iets wat je graag nog eens zou willen proberen?’.

Wanneer mensen sterk in een probleemverhaal vastzitten is het natuurlijk vaak niet zo eenvoudig om op deze vragen te antwoorden, omdat ze hier nog niet over nagedacht hebben aangezien dit niet binnen hun dominante verhaal past. Maar geef niet op, blijf doorvragen wanneer mensen zeggen dat ze het niet weten. Het kan ook helpen om heel genuanceerd vragen te stellen. Je kan woorden gebruiken als ‘zou het kunnen dat…?’, ‘ misschien’, ‘soms’, ‘heel eventjes’, ‘een klein beetje’, ’ondanks alles, stel je voor dat…’,…

En ten slotte nog een extra gesprekstechniek die vaak gebruikt wordt in de narratieve therapie: externaliseren. In onze taal laten we het probleem vaak samenvallen met de persoon. Denk maar aan uitspraken zoals ‘ik ben depressief, hij is hyperactief, zij is autistisch’. De narratieve benadering gaat daar tegenin: het probleem is het probleem, de persoon zelf is niet het probleem. Door gebruik te maken van externaliserende taal en daarmee het probleem buiten de persoon te leggen, wordt de identiteit van de persoon beschermd. Voorbeelden hiervan zijn: ‘Wat doen die ruzies met jullie?’, ‘Waar wil die depressie jou van overtuigen? Hoe succesvol is zij daarin?’, ‘Wat doet dat gepieker jou denken?’, ‘Wanneer zit dat gedoe jou in de weg?’. Het kan ook helpen om aan de cliënt zelf te vragen om het probleem een naam te geven.

Mijn ervaring

Ik vond de narratieve therapie al heel interessant, en dankzij het volgen van de opleiding is dit opnieuw naar boven gekomen. Ik begrijp de theorie nu nog beter en heb vooral wat handvaten gekregen om hier in de praktijk mee aan de slag te gaan. Johan kan dit ook heel boeiend uitleggen en geeft veel praktische voorbeelden. We mochten tijdens de opleiding ook een aantal keer met elkaar oefenen. Toch vind ik het toepassen van deze stroming in de praktijk nog steeds niet eenvoudig, maar ik merk wel dat ik sinds de opleiding spontaan steeds meer vragen bedenk die bij deze stroming aansluiten. Ik wil me hier zeker nog verder in verdiepen en zou het heel fijn vinden om eens een intervisie te doen met mensen die de narratieve therapie gebruiken in hun werk. Wie weet word ik ooit wel een echte narratieve therapeut

Meer info over de opleidingen bij Johan Van de Putte vind je hier: www.narratievetherapie.be.

Laat hier een reactie achter